Van de kip en het ei op het boerenbedrijf in Zuidwolde

Rond 1900 was de kip nog echt een erfdier. Op elke boerderij scharrelden enkele kippen rond die zelf hun kostje opscharrelden. De zorg voor deze dieren en het rapen van de eieren waren taken voor de boerin. Toen de boterbereiding niet meer op de boerderij plaatsvond door de opkomst van de boterfabrieken kreeg de boerin tijd om de kippenhouderij te ontwikkelen.

Het kleine gemengde boerenbedrijf met slechts enkele koeien kreeg zo een extra pijler, sterker nog, de grote toename van het aantal kleine gemengde bedrijven zou niet mogelijk geweest zijn zonder de legkippenhouderij. Het houden van kippen was typerend voor de ontwikkeling naar een meer intensieve landbouw op de zandgronden van Oost-Nederland. Op een beperkte oppervlakte konden tegen lage voerkosten en met betrekkelijk lichte arbeid zo’n 40 tot 50 kippen probleemloos worden gehouden. Pas bij een aantal boven de 100 raakte de boerin het overzicht kwijt. De kippen liepen niet meer los op het erf, maar waren ondergebracht in een nacht- en leghok met een omheinde ren.

0ok in Zuidwolde nam na 1900 het aantal kippen toe, een ontwikkeling die zich na de Duitse bezetting voortzette. En het waren niet alleen boeren die meer kippen gingen houden, ook bij heel veel burgerwoningen verscheen een kippenhok. Vooral na het midden van de jaren dertig werden veel vergunningen afgegeven voor de bouw daarvan, met als hoogste aantal in één jaar maar liefst 116 stuks in 1939. Wat huisvesting betreft was er al vanaf de jaren twintig sprake van standaardmodellen kippenhok. Zo bracht de firma ‘Succes’ uit Hoogeveen al in 1925 een catalogus uit met maar liefst 26 verschillende prefab modellen.

Vergunningen

Tijdens de Duitse bezetting, met de productiebeperking die de bezetter had ingevoerd, daalde het aantal verleende vergunningen tot twee in 1942. Die vergunningen werden afgegeven aan de bakkers Santing en Boschman. Door zelf een aantal kippen te houden werden zij minder afhankelijk van de ruilhandel met boeren, die op last van de bezetter hun kippenstapel al in 1940 drastisch hadden moeten inperken. Op kleine boerenbedrijven mochten nog maar tien en op de grotere maximaal 15 kippen worden gehouden.

Deze maatregel trof veel kleine boeren en landarbeiders. Aan het houden van kippen was in de jaren dertig, met lage prijzen voor veel landbouwproducten, nog wat over te houden.

En al die eieren moesten uiteraard ook afgezet worden. Traditioneel was er veel ruilhandel met middenstanders. Ook bakkers, die veel eieren gebruikten, ruilden deze bij boeren tegen bakkersproducten, of kochten de benodigde eieren bij hen. Maar door de toename van het aantal kippen was dat onvoldoende en was er spontaan een eierhandel op de woensdagmiddag ontstaan. Kooplieden uit Meppel en Hoogeveen, die ’s ochtends de eiermarkt in Avereest hadden bezocht, deden op de terugweg Zuidwolde aan, waar de kippenhoudsters al met hun manden met eieren aan de weg stonden. Toen het gemeentebestuur van Avereest hiertegen in 1923 protesteerde, besloot de gemeenteraad over te gaan tot legalisatie van de markt in de kom van Zuidwolde. Volgens de raad was er alleen maar voordeel. De kooplieden konden op een en dezelfde dag twee markten bezoeken. En er werd vastgehouden aan de woensdag, op andere dagen zouden er geen kopers verschijnen.

Verkoopsters

Aanvankelijk stelden de verkoopsters zich op langs de straatweg, autoverkeer was er immers nog maar weinig. Maar bij regenachtig weer was het verkopen en verpakken van de eieren lastig, reden waarom caféhouder Jan de Vries achter zijn café ‘De Linde’ ruimte beschikbaar stelde voor een overkapping. Deze werd betaald door de gezamenlijke middenstand. Na de oorlog kwam de eiermarkt als zodanig niet echt meer op gang. Wel werden er nog jarenlang eieren ontvangen door een handelaar, maar meer en meer werden de eieren van huis opgehaald door een verzamelaar. De gemeenteraad heeft de eiermarkt trouwens formeel nooit opgeheven.

Een bekende verzamelaar was Jan Zantingh, woonachtig op Schottershuizen. Hij had een klein boerderijtje en trok er dagelijks op uit om eieren op te halen in heel het zuidelijke deel van de gemeente. ’s Avonds was hij dan in zijn eierloods druk met het afwegen en overpakken van de eieren, die twee à drie keer per week werden opgehaald door eierhandelaar De Wit uit Meppel. Voor veel boeren was de prijs van de eieren net zo belangrijk, zo niet belangrijker dan de melkprijs. Die eierenprijs werd vastgesteld in Barneveld en kon dagelijks wijzigen. Als Jan Zantingh, bijgenaamd ‘eier-Jan’, met zijn wagen het erf opreed, dan kon men al zien hoe het gesteld was met de prijs. Als hij zijn pijp in de mond had, dan was de prijs gelijk of gedaald, maar als hij een sigaar rookte, dan zat de prijs in de lift.

Bert Steenbergen