Stichting Historie van Ruinen blikt terug op ‘t Armhuus

Ruinen

Hoe was de zorg voor armen vroeger geregeld? Stichting Historie van Ruinen blikt in de historische rubriek in de Wolder Courant terug op het Armhuus in Ruinen.

In de gemeente De Wolden woonden vroeger, net als in andere gemeentes en elders in den lande, veel arme mensen. Het waren mensen die door verschillende omstandigheden weinig of geheel geen inkomsten hadden. In de eerste plaats kwam dit vooral door de sterke bevolkingsgroei in de periode van 1850 tot 1930 en de daaruit voortvloeiende vraag naar arbeidsplaatsen. Industrie was er in die jaren nog maar weinig. Vele arbeidsplaatsen moesten gezocht worden in de agrarische sector. Ook het aantal landbouwers was in die periode beperkt. Van rijks- / of gemeentewege waren er geen voorzieningen om de grote armoede onder de mensen te beperken. De mensen waren voor financiële bijstand aangewezen op de diaconie van de kerken. Aangezien de diaconie ook meestal slecht bij kas zat, was de uitkering die men ontving, zeer gering. Sommige mensen kregen een kwartje, anderen twee kwartjes en gezinnen moesten het doen met één gulden per week. Het is daarom begrijpelijk dat er in die tijd grote armoede werd geleden.

Vooral in de wintermanden was de nood hoog, omdat veel gezinnen dan met ziekte te kampen kregen. Er waren dan ook vele sterfgevallen. Vooral in die gezinnen waar de vader / kostwinner was weggevallen, was de armoede zeer groot. Zo´n gezin leefde dan onder erbarmelijke omstandigheden omdat de achtergebleven weduwe niet uit werken kon gaan vanwege haar kinderen. Deze weduwes deden dan ook meestal een beroep op de diaconie voor financiële bijstand.

Armhuus

Er werd een oplossing gezocht. De diaconie van de Hervormde kerk besloot in 1857 een tehuis te bouwen. In dit tehuis konden weduwen met hun kinderen of kinderen waarvan beide ouders waren overleden en andere hulpbehoevende personen worden ondergebracht. Dit huis bood plaats aan ongeveer 25 personen.

De kosten van levensonderhoud, huisvesting en de benodigde kleding voor de personen in dit huis kwamen voor rekening van de diaconie. Aan het tehuis was een boerderij gekoppeld. De personen die in het tehuis woonden en nog arbeid konden verrichten moesten zich verdienstelijk maken door mee te werken op de boerderij en op het land. Degenen die dit werk niet meer konden doen, moesten stoelen matten of andere soortgelijke werkzaamheden uitvoeren.

Om alles in goede banen te leiden en om orde te houden in het tehuis werd een echtpaar aangesteld dat toezicht hield op de werkzaamheden en zijn bewoners. Zo´n echtpaar werd “armvader en armmoeder” genoemd.

De families die als zodanig hebben gefungeerd waren onder ander Bisschop, Van der Sleen en als laatste Pieter Waninge en echtgenote. Deze laatsten aanvaarden deze functie in 1916. In dat jaar waren er nog zestien personen in het tehuis ondergebracht. Vanaf 1916 is het aantal personen dat in dit tehuis woonde sterk teruggelopen tot ongeveer 1925, toen de laatste bewoners vertrokken. Het tehuis, in de volksmond beter bekend als ” ´t Armhuus” is in de vijftiger jaren door de diaconie verkocht aan de toenmalige bewoners, de familie Waninge. De koopsom bedroeg fl. 8.000,00 inclusief drie hectare bouw- en weiland.